Italië, officieel de Italiaanse
Republiek (Italiaans: Repubblica Italiana), is een land in
Zuid-Europa, behorend tot de Europese Unie. Aan de noordelijke
grenzen liggen Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk en Slovenië. De
rest van de "laars", zoals het land vanwege de vorm wordt genoemd,
wordt omringd door de Tyrreense Zee, de Middellandse Zee, de
Ionische Zee en de Adriatische Zee.
De eilanden Sicilië, Sardinië en Elba en een reeks kleinere eilanden
behoren eveneens tot Italië.
De hoofdstad van Italië is Rome (Roma). Daarin bevindt zich het
onafhankelijke Vaticaanstad waarvan de paus het hoofd is. Een tweede
onafhankelijke enclave binnen de Italiaanse grenzen is San Marino,
vlakbij de badplaats Rimini aan de oostkust. Andere belangrijke
steden zijn Milaan (Milano), Turijn (Torino), Genua (Genova),
Venetië (Venezia), Florence (Firenze), Bologna, Verona, Napels (Napoli),
Ancona, Bari, Messina en Palermo (de hoofdstad van Sicilië).
Geschiedenis van Italië
Voor de opkomst van de stadsstaat
Rome was Italië bevolkt met een groot aantal volken: naast de
Romeinen waren er de Etrusken, Apuliërs, Liguriërs, Sabijnen,
Samnieten, Bretii en in de Povlakte de Kelten.
Rome breidde zich uit ten koste van haar buurvolken, zo ontstond het
Romeinse Rijk. In deze vorm beheerste Italië eeuwenlang het
Middellandse Zee gebied. De Romeinen namen de theoretische kennis
van de Grieken over, en pasten deze praktisch toe. Hun aquaducten en
de restanten van de wegen die zij in hun hele rijk aanlegden, zijn
nog op veel plaatsen te vinden.
Na de ondergang van het Romeinse Rijk raakte Italië in verval.
Italië kenden een veelheid aan vreemde overheersers: Ostrogoten, het
Oost-Romeinse Rijk, de Lombarden. In midden Italië ontstond de
Pauselijke Staat. In noord Italië kwamen de Franken onder Karel de
Grote.
In 900 veroverden de Arabieren Sicilië. De Noormandiërs werden tegen
hen te hulp geroepen. Deze stichtten op Sicilië hun eigen
koninkrijk.
In de 11e eeuw trok de handel langzaam weer aan. Vooral de handel
overzee bloeide met handelssteden als Amalfi, Pisa, Genua en
Venetië. De Renaissance brak hier aan, met grote kunstenaars als
Michelangelo, Leonardo da Vinci en Rafael. Deze gouden eeuw eindigde
in de 16e eeuw.
Aan het begin van de 16e eeuw verplaatste de handel zich van het
Middellandse-Zeegebied naar de Atlantische Oceaan: een gevolg van de
ontdekkingsreizen en de nieuwe zeeroutes met de Nieuwe Wereld,
India, China en Indonesië. Het directe gevolg was een afname van de
macht van de Italiaanse staatjes. Italië kwam onder invloed van
Spanje, Frankrijk en Oostenrijk. Het pauselijke gezag en de
pauselijke invloed namen sterk af door de reformatie.
De Italiaanse vereniging was een langdurig proces, politiek gezien
beginnend bij het Congres van Wenen en eindigend bij het eind van de
Eerste Wereldoorlog, waar bij het Verdrag van Saint-Germain de
laatste onafhankelijke steden in het Koninkrijk Italië werden
opgenomen.
De Italianen kregen Venetië in handen door zich in 1866 met Pruisen
te verbinden tegen Oostenrijk. De verhouding met de Pauselijke Staat
bleef moeilijk tot het concordaat van 1929.
Italië kreeg een tweekamerstelsel met een door de koning benoemde
Senaat en een gekozen Kamer. Gedurende de eerste decennia werd het
gezag van de regering ondermijnd door de twisten tussen de politieke
partijen - de liberalen en de radicalen - en persoonlijke schandalen
van politici.
De belangrijkste politieke figuren in deze tijd waren Agostino
Depretis en Francesco Crispi.In dit tijdperk verwierf Italië ook enkele koloniale bezittingen:
Eritrea (1882-1890), Italiaans Somaliland (1899-1905) en na een
oorlog tegen Turkije, die het land tevens de Dodekanesos opleverde,
Libië.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef Italië
aanvankelijk neutraal. Nadat de geallieerde mogendheden bij het
verdrag van Londen royale gebiedsuitbreiding hadden toegezegd,
verklaarde Italië in mei 1915 de oorlog aan Oostenrijk en in
augustus 1916 ook aan Duitsland. In militair opzicht was de oorlog
geen succes, maar bij de vrede werd Italië beloond met Istrië en
Triëst, Zadar (Zara) in Dalmatië en geheel Zuid-Tirol. De kwestie
Zuid-Tirol bleef vervolgens de Italiaans-Oostenrijkse betrekkingen
belasten. Fiume (Rijeka), dat aanvankelijk tot vrijstaat was
verklaard, werd in 1919-1920 eigenmachtig door de dichter-politicus
Gabriele d'Annunzio voor Italië bezet.
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog bleef Italië neutraal. Op
10 juni 1940 verklaarde het de oorlog aan Frankrijk en Engeland.
Benito Mussolini geloofde dat Engeland snel om genade zou smeken,
maar dat bleek een misrekening. De Italiaanse strijd te land was een
mislukking, Duitsland moest Italië zowel in Griekenland als in
Noord-Afrika te hulp komen. Wel vergrootten de Italianen hun gebied
met Montenegro, een deel van Griekenland en enkele steden in
Frankrijk (dat was echter geen noemenswaardige vooruitgang). Ook de
Afrikaoorlog tussen Italië/Duitsland en Engeland verliep in eerste
instantie dramatisch voor de Italiaanse troepen. Pas toen twee
Duitse divisies te hulp schoten wisten de Italianen
gebiedsuitbreiding in Egypte te verwezenlijken.
Na het vastlopen van de invasie in de Sovjet-Unie en de Amerikaanse
deelname aan de oorlog keerde het tij. In mei 1943 werden de
Italianen en de Duitsers uit Noord-Afrika verdreven. In juli 1943
volgde de landing op Sicilië. Koning Victor Emanuel III reageerde
door Mussolini te laten arresteren. Hij benoemde maarschalk Badoglio
als premier. De Duitsers bezetten snel grote delen van Italië. Zij
bevrijden Mussolini die de Italiaanse Sociale Republiek oprichtte.
Terwijl de geallieerden moeizaam door Italië naar het noorden
oprukten (Rome, juni 1944, Milaan, april 1945), verklaarde de
Italiaanse monarchistische regering Duitsland de oorlog.
Sinds 2 juni 1946 is Italië door een volksraadpleging een republiek.
De republikeinse grondwet trad op 1 januari 1948 in werking.
Italië is sinds de jaren vijftig lid van de NAVO, ze is vanaf de
oprichting lid van de Europese Gemeenschap.
Taal in Italië
De grote meerderheid van de
bevolking spreekt Italiaans (waaronder verscheidene dialecten); er
zijn Duits-, Frans-, Sloveens-, Friulaans- en Kroatisch-sprekende
minderheden.
Het land is verdeeld in 20 regio's,
die in een totaal van 107 provincies worden onderverdeeld.
Deze 20 gebieden hebben ook parlementen en overheden. Als resultaat
van een referendum van 2001 dat de regionale bevoegdheden verhoogde,
is de federale overheid verantwoordelijk voor buitenlandse relaties
en nationale defensie, openbare orde en rechtvaardigheid,
verkiezingswet en milieukwesties.
Vijf regio's hebben een autonome status:
Sicilië (Sicilia) - Sardinië (Sardegna) - Valle d'Aosta -
Trentino-Zuid-Tirol (Trentino-Alto Adige) - Friuli-Venezia Giulia.
Deze pagina is gebaseerd op het
auteursrechtelijk beschermde
Wikipedia-artikel; het is vrijgegeven onder de
GNU Free Documentation License. U mag dit verspreiden mits u
zich aan de regels van de GFDL houdt.