IJsland (Ísland in het IJslands) is een eiland, dat tussen Groenland en het vasteland van Europa in ligt. Het is omringd door de Atlantische Oceaan, de Straat van Denemarken (tussen IJsland en Groenland) en de Noordelijke IJszee. Het land tipt in het noordoosten net aan de poolcirkel. De hoofdstad Reykjavik ligt aan de zuidwestkust en is 's werelds meest noordelijke hoofdstad. IJsland is het het meest westelijk gelegen land van Europa.
Geschiedenis van IJsland
De aanwezigheid van een eiland ten noorden van de Britse eilanden was reeds bekend of vermoed door de Grieken en Romeinen. Het "Ultima Thule", waar de Romeinen in een geschrift over verhalen, gaat waarschijnlijk over IJsland, maar zekerheid daarover ontbreekt vooralsnog. Uit archeologische vondsten blijkt dat de Romeinen vermoedelijk wel voet aan wal hebben gezet, maar de eersten die langere tijd op IJsland verbleven waren waarschijnlijk Ierse monniken. Met de komst van de vikingen verdwenen ze.
De meesten van de eerste bewoners waren van Noorse afkomst. Ze verlieten hun thuisland om aan het regime van jarl Harald Schoonhaar (of Fijnhaar) te ontkomen. In die tijd werd er verhaald van een eiland dat nog niet bewoond was, en Flóki Vilgerðarson (ook wel Hrafna Flóki of raven-Flóki genoemd, omdat hij drie raven bij zich had die hem hielpen het onbekende eiland te vinden) besloot zijn geluk in dat nieuwe land te beproeven. Hij vestigde zich aan een grote baai in het westen (bij Flókatóftir aan het huidige Breiðafjörður). Tijdens de eerste strenge winter verhongerde al zijn vee, en berooid vertrok hij weer, maar niet alvorens het land zijn naam gegeven te hebben: IJsland. Later kwamen via omzwervingen langs Ierland, Schotland, de Hebriden en de Faeröer-eilanden (waar ze ondertussen slaven bemachtigden) landgenoten van hem op IJsland aan. De eerste viking die zich permanent op IJsland vestigde was Ingólfur Arnarson. In 874 landde hij aan de zuidkust en omstreeks 877 vestigde hij zich aan een baai in het zuidwesten. Die plaats noemde hij Reykjavik (zie aldaar). De volgende 60 jaar werd het land volledig gekoloniseerd. Zie ook Geschiedenis van IJsland.
Geologie in IJsland
Geologisch gezien is IJsland zeer jong en is hoofdzakelijk opgebouwd uit vulkanisch materiaal en gesteente. Dit is het gevolg van zijn ligging op de Midden-Atlantische rug, een scheidingsgebied tussen een aantal tektoniekplaten, die uit elkaar drijven. Daardoor kan het onderliggende magma omhoogkomen om de scheuren op te vullen, en bij IJsland verheft deze rug zich boven het zeeoppervlak. IJsland drijft op sommige plaatsen met een gemiddelde snelheid van 1 á 2 cm per jaar uit elkaar. Een bijkomstigheid is dat IJsland ook nog eens op een hotspot ligt. Dat zijn plaatsen in de aardkorst waar het onderliggende magma tot zeer dicht onder het aardoppervlak kan komen. Beide fenomenen zorgen ervoor dat IJsland vulkanisch zeer actief genoemd mag worden. Het merendeel van het eiland werd gevormd tijdens de laatste ijstijd en dit groeiproces gaat nu nog steeds door. Het oudste deel van het eiland ligt in het noordwesten en wordt in het IJslands de Vestfirðir (Westfjorden) genoemd. Het jongste deel is het eilandje Surtsey dat bij de Vestmannaeyjar ontstond tijdens een vulkaanuitbarsting die in 1963 begon (en eindigde 1 week later).
Het land kent een aantal actieve vulkanen, waaronder de Katla onder de Mýrdalsjökull, het Laki gebied, de Hekla, en het nieuwe eiland Surtsey. Andere, of slapende vulkanen zijn de schildvulkaan Skjaldbreiður, de twee Snæfell vulkanen, Kerið, Eldborg, Hverfjall, Krafla en Askja. Daarnaast komen er pseudokraters voor, met name bij Mývatn en Kirkjubæjarklaustur. Andere fenomenen van vulkanisme op IJsland zijn subglaciale meren (bijvoorbeeld Grímsvötn), solfataren en fumarolen, geisers, hete bronnen (de bron bij Deildartunguhver levert 180 liter kokend water per seconde, en is daarmee de grootste heetwaterbron van Europa) en geothermische energiecentrales.
IJsland bestaat voor het overgrote deel uit laag- en middelgebergte, al dan niet met gletsjers bedekt, waarvanuit vele rivieren naar zee stromen. Sommige daarvan vervoeren zeer grote hoeveelheden water, maar ze zijn doorgaans voor boten onbevaarbaar. De hoogste berg is de Hvannadalshnúkur en ligt met zijn 2110 meter hoogte grotendeels verscholen onder de Öræfajökull. Bomen komen op IJsland vooral in dwerg- en struikvorm voor, bijvoorbeeld in het natuurreservaat Þórsmörk. Alleen in het oosten van het land komt een gebied voor dat 'bos' mag genoemd worden, het 2000 hectare grote Hallormstaðaskógur. De bomen zijn daar voor het grootste deel aangeplant. Hoewel het land beroemd is om zijn geisers, is de echte Geysir na een aardbeving een stuk minder actief geworden; de nabijgelegen Strokkur spuit zijn waterfontein echter om de 5-8 minuten omhoog. Andere werkende geisers zijn veel minder spectaculair om te zien of zijn ten behoeve van de warmwatervoorziening afgedopt. Het binnenland is vrijwel onbewoond; het dichtstbevolkte gebied ligt aan de zuidwestkust rond Reykjavik.
Het gletsjermeer Breiðárlón, Zuid-IJslandLangs het noorden van het eiland stroomt de koude golfstroom, langs het zuiden de warme golfstroom. Gekoppeld aan de wind die meestal van zuid naar noord over het eiland waait, is het klimaat in Reykjavik (zuidwest) kouder dan in Europa maar nog steeds gematigd. In het noordelijke Akureyri daarentegen zijn de temperatuurschommelingen vanwege de vaak aflandige wind groter. Vanaf de Vestfirðir in het noordwesten via het noorden tot aan het oosten van het land wordt de kustlijn gekenmerkt door grotere en kleine fjorden en baaien. Een aantal fjorden zijn in de wintermaanden enkel over het water te bereiken, en zijn zelfs in de zomer slechts toegankelijk met een 4WD-auto. Dat is mede de oorzaak van de ontvolking van dit deel van het land die sinds de Tweede Wereldoorlog aan de gang is. In het zuiden wordt de kustlijn gekenmerkt door een bijna volkomen afwezigheid van natuurlijke inhammen en uitgebreide spoelzandvlaktes, een resultaat van de overspoeling van de streek door het smeltwater van de Vatnajökull. De westkust wordt dan weer gekenmerkt door brede fjorden en baaien, zoals de Faxaflói (Faxabaai) en de Breiðafjörður. De vuurtoren bij Bjargtangar nabij de vogelkliffen van Látrabjarg is het meest westelijke puntje van Europa.
Het binnenland is tijdens de zomermaanden grotendeels alleen toegankelijk voor 4x4-voertuigen. In de winter zijn vrijwel alle wegen daar onbegaanbaar en afgesloten.
Het landschap is bergachtig, tafelbergen wisselen af met actieve en slapende vulkanen en caldera's, waartussen (meanderende) rivieren zich een weg banen. Omdat IJsland geologisch gezien nog erg jong is, en de rivieren zich nog een weg door het harde basalt moeten slijten, komen er vele watervallen voor, waarvan er een aantal spectaculair zijn. De Dettifoss is qua watervolume de grootste waterval van Europa. Valleien werden in het verleden opgevuld door de lava van grote vulkaanuitbarstingen, waardoor er soms hele lavavlakten zijn.
IJsland heeft 4 nationale parken: Jökulsárgljúfur National Park, Skaftafell National Park, Snæfellsnes National Park en Þingvellir.
Deze pagina is gebaseerd op het
auteursrechtelijk beschermde Wikipedia-artikel;
het is vrijgegeven onder de GNU
Free Documentation License. U mag dit verspreiden mits u zich
aan de regels van de GFDL houdt.