Albanië (Albanees: Shqipëria of
Shqipnija, Grieks: Αλβανία, Macedonisch: Албанија, Romani:
Shkiperiya, Servisch: Албанија), officieel de Republiek Albanië, is
een land in het westen van het Balkanschiereiland, grenzend aan de
Adriatische en Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Servië en
Montenegro.
Het was eeuwenlang een uithoek van het Ottomaanse Rijk. In 1912 werd
het land onafhankelijk en na de Tweede Wereldoorlog kreeg het onder
Enver Hoxha een dogmatisch communistisch regime dat zich steeds
verder van de rest van de wereld isoleerde. Albanië hield er een
geheimzinnige reputatie aan over.
Bovendien was het land toen het zich begin jaren negentig van zijn
regime ontdeed het armste van Europa. Inmiddels heeft het in dat
opzicht Moldavië ingehaald.
Geschiedenis van Albanië
Het gebied werd in oude tijden
geregeerd door Illyriërs en Thraciërs en kwam later onder Romeins,
Byzantijns en Ottomaans bewind. Albanië werd in 1912 onafhankelijk.
In de eerste jaren na het uitroepen van de onafhankelijkheid werd
Albanië door verschillende buurlanden bestookt met milities en
militaire acties. In januari/februari 1916 werd Albanië bezet door
Oostenrijk-Hongarije in het noorden, en door de Bulgaren in het
oosten van het land. Montenegro begon met een beleg van de stad
Shkodër in noord-Albanië.
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog trokken de verschillende
partijen zich terug. Als laatste verlieten de Italianen in 1922 het
land. In 1925 werd Albanië een republiek. Van 1928 tot 1939 was het
een koninkrijk. Later (in 1944) werd het een satellietstaat van de
Sovjet-Unie, waarmee het in 1961 brak vanwege de
destalinisatiepolitiek van Nikita Chroesjtsjov.
In 1968 verliet Albanië het Warschaupact en werd het een bondgenoot
van het communistische China, tot grote woede van de Sovjet-Unie. De
verkiezingen in 1992 maakten een eind aan de macht van de
Communistische Partij en er werd een democratische overheid gevormd.
In 1997 brak in het land anarchie uit, na de ineenstorting van
piramidefondsen die veel beleggers tot een compleet bankroet had
gedreven.
Albanië is ruw en bergachtig,
behalve de vruchtbare Adriatische kust. Korabit (2763 m), op de
grens met Macedonië, is het hoogste punt van het land.
De belangrijkste rivieren van Albanië zijn de Drin, Mat, Shkumbin,
Vijose en Seman, maar zij zijn meestal onbevaarbaar. Meer dan een
derde van het land bestaat uit bossen en moerassen, meer dan een
derde is weiland en slechts ongeveer een vijfde is gecultiveerd.
grootste rivieren: Drin, Shkumbi
grootste meren: Meer van Shkodër, Meer van Ohrid en Prespameer, alle
ten dele buiten Albanië.
hoogste punt: Korab 2753 m.
Tirana (427.000 inw.) is de hoofdstad en grootste stad van het land.
Andere steden zijn:
Het ruwe en ontoegankelijke terrein
van het land heeft traditioneel Albanië van zijn buren geïsoleerd,
zo helpend om zijn etnische homogeniteit te bewaren. Ongeveer 90%
van de bevolking is etnisch Albanees, 3% is Grieks en er zijn
verspreide Vlach-, Bulgaarse, Servische en zigeunerminderheden.
Bijna 70% van de inwoners van Albanië is moslim, ongeveer 20% is
Albanees-orthodox en 10% is rooms-katholiek. In 1967 werd Albanië
officieel tot atheïstistische staat uitgeroepen, en tot 1990 waren
alle moskeeën en kerken gesloten.
Albanië kan worden beschouwd als een typisch Balkanland, maar het
onderscheidt zich in een aantal opzichten van zijn naaste buren. De
bevolking is tamelijk homogeen, de islam is er de dominerende
godsdienst en de Albanese taal neemt binnen de Indo-Europese
taalfamilie een aparte positie in.
De bevolking is de snelst groeiende van Europa en concentreert zich
in toenemende mate in de steden.
bevolkingsgroepen: Albanezen (Tosken en Gegen) (95%), Grieken (3%),
Macedoniërs, Serviërs, Bulgaren, Sinti, Vlachen
bevolkingsgroei: 0,8% (gemiddelde 1980-2001)
analfabetisme: mannen 8%, vrouwen 22% (2001) (officiële data;
vermoed wordt dat het werkelijke aantal hoger ligt)
Een groot deel van de etnische Albanezen woont buiten Albanië. In de
eerste plaats in Kosovo (Albanees: Kosova), officieel een deel van
Servië, waarmee er lang een grensgeschil is geweest. Na afloop van
de Kosovo-oorlog (juni 1999) werd Kosovo door de VN onder
internationaal bestuur geplaatst. Dit heeft geresulteerd in
autonomie voor Kosovo en de facto onafhankelijkheid van Servië. 88%
van de inwoners van Kosovo zijn Albanees (2000).
Tevens is 25% van de bevolking van Macedonië etnisch Albanees
(2002). Daarnaast een aanzienlijk aantal in Griekenland (Epirus) en
kleine aantallen in Montenegro en Servië (afgezien van Kosovo).
Sinds de Turkse verovering wonen de Arbëresh in Zuid-Italië,
eveneens van Albanese afkomst. De Albanese diaspora in West-Europa
en in de Nieuwe Wereld is omvangrijk.
Albanië betekent: "Het land van de witte bergen". De Albanezen
noemen hun land in hun eigen taal: "Shqiponja". Dat betekent
adelaar. De adelaar staat ook op de vlag. De Albanese vlag is rood
met een zwarte adelaar.
Deze pagina is gebaseerd op het
auteursrechtelijk beschermde
Wikipedia-artikel; het is vrijgegeven onder de
GNU Free Documentation License. U mag dit verspreiden mits u
zich aan de regels van de GFDL houdt.